Gedachten
-
Er was veel zaken vandaag / het waren allemaal gedachten van mensen / er waren veel dikke die duwden en waren onwillig [Regels van J.C. van Schagen, uit Narr...
Opgelost
-
Na vele jaren is er klaarheid in deze verdwijningszaak. Dank zij een in het
ouderlijk huis teruggevonden notitieschriftje is de waarheid eindelijk aan
he...
Uit het lood
-
Er zijn niet alleen in Italië scheve torens. Mijn vriend Kees Wagtmans laat
weten dat er ook in Nederland een exemplaar van bestaat, en wel in Acquoy
aan ...
Het perron was weg
-
Mocht ge ooit per intercity van Brussel naar De Panne willen reizen, weet
dan dat die trein wordt losgekoppeld in Gent. Een deel van de wagons rijdt
verder...
het naleven van diderot (3)
-
Diderot kon wel vertrouwen hebben in het nageslacht, het had even goed
verkeerd kunnen aflopen. Veel van zijn geschriften werden niet gepubliceerd
tijd...
The red tree
-
Bovenstaand prentenboek geef ik met alle plezier een 5 op 5. En dat gebeurt
zelden. Het is ontstellend hoeveel boeken ik lees die ik eerder middelmatig
vi...
-
[Maar zoals we daar stonden, onder de bliksem, de luid en dichtbij
knetterende donder en de roffelende regen, samen in de kou, elkaar een
beetje warmte g...
Blogger Sucks
-
Vanaf 1 mei kan ik deze website niet meer verversen met blogger. Dat is het
cms waarmee ik jaren werk. Blogger kondigt ineens aan dat je nu een URL bij
hen...
uitkijken
-
ik heb het goed. en ook ben ik zeer moe. dat is van druk te leven. en ik
geloof dat dat iets goeds is. ik leef in een stad. en elke dag heeft zijn
openbari...
Iedere morgen in Monaco
-
Ik ben vijfentwintig en het regent al weken. Ik heb al dagen niets van hem
gehoord, maar zelfs al zou ik hem horen, zelfs al zou ik hem zien, ik zal op
dez...
14 juni 2009 Maurice lacht: een poes zet zijn poot op een muis die al in de val zit.
17 juni 2009 Maurice kan het gevoel niet wegnemen dat ge hem voor iemand anders houdt.
21 juni 2009 Maurice is gelijk een kat die op de schoot springt, hij doet nooit iets van harte.
28 juni 2009 Maurice lag te slapen in zijn tent en fantaseerde dat iedereen zich boven zijn dak een huis droomt.
8 juli 2009 'Om zich te kunnen verzoenen met zichzelf, moeten ze wel ongelooflijk slim zijn': denkt Maurice.
10 juli 2009 Een klucht patrijzen vliegt naar de overkant, Maurice lacht in zijn vuistje.
18 juli 2009 Maurice eet zijn gekookt soms naast zijn bord.
21 juli 2009 Als hij knipoogt, bewegen zijn wenkbrauwen te fel mee: van Maurice krijgt ge de rietepetiete.
22 juli 2009 Maurice loopt soms urenlang te denken aan hoe de vork in de steel zit.
8 augustus 2009 Maurice ziet een kind hard huilen en troost: "tranen brengen alleen maar troost omdat ze ons verlaten". Hij schopt daarbij een keitje weg.
21 augustus 2009 Maurice heeft soms het gevoel de mensen pas te leren kennen als ze dood zijn.
5 september 2009 Maurice kijkt naar zijn voeten als hij loopt.
15 september 2009 De woorden die men tot Maurice spreekt blijven als druppels water op een pels liggen.
7 oktober 2009 Maurice schopt met zijn klompen tegen een eik, zijn roos valt als sneeuw op zijn schouders.
13 oktober 2009 Maurice wou dat hij een paar sokken was, dan kon hij samen aan de wasdraad hangen.
19 november 2009 Maurice zwemt in het water waarop zijn denkfouten drijven.
26 december 2009 Maurice ruimt sneeuw met een lepel.
23 januari 2010 Maurice zijn grote hart gaat naar de kunst, zijn kleine naar iedereen.
7 februari 2010 Is het hart van Maurice ècht of een ruilhart?
28 februari 2010 Maurice loopt in zijn hersenen rond.
7 maart 2010 Volgens Maurice zijn de meeste mensen zonder zee. Wat hij daarmee bedoelt is zelfs voor hem niet duidelijk.
grijs, groen en blauw
Grijs, dienstmeisje, tobt ‘Naast het bed staat de kast, de vloerdelen wijzen één richting uit: de deur. De lamp brandt nog en ik lig al in bed. Een stuk zeep slinkt naast de lampetkom, in een kam trilt een haar: tocht in de gang. Ik luister maar ik hoor niets. Zal ik het licht doven? Zou Blauw al slapen, is Groen weggeweest? Is er nog ijs voor Cécile, de kokkin? Madame heeft niet goed geslapen. Serieus, het kan mij geen ene moer schelen. Maurice, ik wist het wel, is niet komen opdagen. Etienne, buurman boer, blijft dus zitten met al zijn bemoeienissen. Maurice en Etienne: mes en vork, de maaltijd niet te vreten. Ach, die venten, zet ze op een rij en ze duwen elkaar om. Het spookt weer in mijn hoofd, mijn gat jeukt, ik zal het licht maar doven. Het is grijs, grijzer en donker: de boerennacht hangt boven de vijver van het kasteel, de uilen trekken alles in twijfel. Ik moet slapen, maar ik wroet en wrikkel. Dronken vergaap ik me aan de woeker in de yoghurt of het stremmen van de melk, tot ik de ogen hard moet uitwrijven en me de witte schichten naar de pupillen vliegen. Moe, moeder, lievemoederen. Gezeten op de bliksem zwem ik onder het korstachtige vlies van de melk door en hijs me over de rand van de pan, spring doldriest op de hete plaat van Céciles cuisinière. Help! Help! Mijn slaapkleed heeft zich rond m’n benen vernesteld. Ik zweet, word wakker, er hangt een natte dweil in mijn kleren, het grijs hangt in mij te drogen. Ik zwom in een melkpan, ik ben de melkvis. Afgepeigerd sleep ik me naar het dakvenster, het is vier uur, blauw uur. De nachtdieren slapen, het licht temporiseert, … muisstil. Toch floept er een lamp aan in de verte. In het zwakke schijnsel tekent zich een postuur af. Maurice leeft, hij beseft niet eens dat ik hem van hier uit begrijpen kan.’
’s Morgens zit, nog voor Madame is bediend, iedereen rond de tafel: Cécile hartelijk zichzelf, Blauw geeuwend, Groen fris als een hoentje, Grijs met een donkere wolk voor het oog. Zo samen lijken ze op reuzen die in stoeten worden rondgedragen. Men zou er moeten inkruipen om ze tot leven te wekken. Een forse dagtaak wenkt. Maar een dag is voorbij in een oogopslag
In een klein hok, niet ver van de achterkeuken staat een fiets. Alles is er twee aan: twee wielen, een stuur met twee handgrepen, twee keer licht - vooraan wit schijnsel en achteraan rode gloed, twee keer bellen en opzij. Maurice doet niets liever dan eraan sleutelen. Groen heeft de beste kuiten, ze stapt niet in haar fiets, ze slaat er haar benen over. Twee fietszakken hangen als apen naast het wiel. De dienstbodejurk fladdert, het gaat vooruit, de linten zitten losjes en flirten met de spaken. Holala, het spoor dat ze trekt is geen slakkenslijm, ze gaat snel, vlugger weg dan aangekomen. Weet ge wat ons tegenstaat? Ze smijt haar wolkenwagen overal en altijd achteloos tegen de muren, arme Maurice toch. Het is Cécile die haar al te vaak op pad stuurt: een ritje naar de bakker, de slager, de pillendraaier of nodeloos … een tochtje naar de boerderij van Etienne, de groentetuin, het huis van Maurice. Altijd zit Cécile er wel voor iets tussen, het is alsof ze Groen uitzaait, hectaren ver. Groen: een landschap dat zich losrukt uit nevels, het gras schuift onder de koeien, de kippen spelen met eieren, de varkens laten bulderende scheten in het dal. Groen en Cécile, twee handen op een buik en geschokschouderd lachen. Vraag ze niet wat ze ervan vinden, ze hebben het al gevonden. Waarom? Daarom. Een keizersvaren ontrolt zich voor Groens ogen, een kip kijkt naar een pluimpje en kakelt, een schaap ziet zijn poten en blèrt, een paard schurkt zijn achterste en hinnikt. Het is reusachtig leven of blazen in verlaten pluis. Ach, Groen weet dat het denken slechts het ziek zijn van de ogen is.
Grijs, laat het tobben, slaap zacht. Blauw ergert zich
‘Aan Groen wier verstand onderin haar fietszakken zit. Aan Grijs die zeurt over kale plekken, maagpijn en slapeloosheid. Aan Madame die de godganse dagen in haar chaise longue ligt. Aan de geur van Maurice die in uw neusgaten walmt als hij plots achter u blijkt te staan. Denken: het ziek zijn van de ogen, laat me niet lachen, wie gaat er de kalfspoten afkoken voor de aspics en geleien van Madame, wie schrobt en schuurt er de lange gang, wie wast en strijkt er de kasten vol? Het is Blauw en geen gat in de lucht. De diensttrap is me niet te min om hogerop te raken. In de linnenkamer staat een strijktafel waarover een deken en een wit laken is gespreid. Ik vertoef er graag want naaiwerk spaart mijn lijf. Grijs heeft me eens betrapt toen ik ingedommeld lag met het plat van het voorhoofd op de gepolsterde rand van de tafel. Ik hield een naald rechtop in de hand. Grijs heeft mijn kraagje gestreeld, maar voor de rest word ik er er zelden afgeleid. De linnenkamer blijft een zonovergoten kamer met twintig hoge kastdeuren, daarachter lakens, kussenslopen, massa’s tafellinnen met kant en point clair. Spijtig dat het water in de vaas met de rode dahlia muf ruikt, maar wat ruiken de restjes vlokkenzeep in het linnen lekker. Groen zegt dat ik de kastdeuren elegant opengooi. Wel, wel, …als ik ze de benen over de fiets zie gooien, zwijg ik. Geef me de schaar, dan knip ik de broderie uit de servetten en naai ze vast aan mijn onderlijf.’
volgers
dm
Didier Van De Steene
Zwalm, Oost-Vlaanderen, Belgium
Een doorsnee man: paard en kar, verschil tussen ik en mij, nog maar een bocht om een heuveltop en dan de wei.
4 reacties:
Dat ruimt lekker op !
Et puis, cherchez la femme ?
ja, zo kunt u het stellen, daar slaat u de nagel op de kop.
Dit zijn zeker ingeente risicogroepen...
monty python always cheers me up.
thanks.
Een reactie plaatsen